Er zijn van die plekken in de tuin waar je liever niet te veel aan wilt doen, maar waar je wel graag vroeg in het jaar kleur ziet. Bloembollen die terugkomen zijn daar perfect voor: je plant ze één keer, en ze verschijnen jaar na jaar opnieuw.
Verwilderingsbollen zijn bloembollen die na de bloei in de grond blijven en ieder jaar opnieuw terugkomen, en sommige soorten breiden zich na verloop van tijd vanzelf uit. Niet op een nette, strakke manier, maar juist natuurlijk. Hier en daar een groepje krokussen, een paar blauwe sterretjes tussen het blad, sneeuwklokjes onder de struiken, narcissen die elk voorjaar weer opduiken.
Wat zijn verwilderingsbollen?
Met verwilderingsbollen bedoelen we bloembollen die geschikt zijn om jarenlang in de tuin te blijven staan. Ze bloeien in het voorjaar, sterven daarna rustig af en slaan via hun blad weer energie op voor het volgende jaar.
Het verschil met veel gewone tuinbollen zit in het gemak. Verwilderingsbollen vragen minder onderhoud en redden zich beter op eigen kracht. Dat wil niet zeggen dat ze overal zomaar aanslaan, de juiste plek blijft belangrijk, maar staan ze eenmaal goed, dan heb je er jarenlang plezier van.
De beste soorten om te laten verwilderen
Niet elke voorjaarsbol is even geschikt om te verwilderen. Vooral kleinere, botanische soorten doen het goed. Ze zijn sterk, komen vaak betrouwbaar terug en passen mooi in een natuurlijke beplanting.
Goede keuzes zijn onder andere krokussen, sneeuwklokjes, blauwe druifjes, Scilla, Chionodoxa, Puschkinia, Anemone blanda en botanische tulpen.
Ook narcissen verwilderen goed, vooral de kleinere en botanische soorten. Ze zijn sterk, worden meestal met rust gelaten door dieren en doen het goed in borders, onder struiken en in gras.
Bij tulpen ligt het iets anders. Veel grote tuintulpen zijn spectaculair in het eerste jaar, maar verliezen daarna kracht. Wie tulpen wil die wél goed verwilderen, kiest het best voor botanische tulpen. Die blijven lager, bloeien vroeg en staan dichter bij de oorspronkelijke wilde soorten.
Waar plant je verwilderingsbollen?
De mooiste plekken zijn vaak de plekken die in het voorjaar licht krijgen, maar later in het seizoen wat beschutter worden. Denk aan de voet van bladverliezende bomen en struiken. In februari, maart en april valt daar nog genoeg licht op de grond, en tegen de tijd dat het blad aan de bomen verschijnt, hebben veel voorjaarsbollen hun werk al gedaan.
Ook in een gazon kunnen verwilderingsbollen prachtig zijn. Krokussen, sneeuwklokjes, narcissen en Scilla kunnen een grasveld in het voorjaar helemaal tot leven brengen. Let er wel op dat je niet te vroeg maait. Het blad van de bollen moet eerst kunnen afsterven, anders krijgen ze te weinig energie voor het volgende jaar.
In borders kun je verwilderingsbollen tussen vaste planten zetten. Dat werkt goed, want de bollen bloeien vroeg en de vaste planten verbergen later het afstervende loof. Zo blijft de border mooi doorlopen van voorjaar naar zomer.
Plant niet te netjes
Verwilderingsbollen zijn juist mooi als ze niet te perfect verdeeld staan. Een handig trucje: strooi de bollen losjes uit en plant ze waar ze terechtkomen. Zo ontstaat een natuurlijker beeld dan wanneer alles in rechte lijnen staat.
Plant liever in groepjes dan één bol hier en één bol daar. Een groep krokussen of narcissen heeft veel meer effect dan losse bloemen verspreid door de tuin. Bij kleine bollen mag je gerust royaal planten, juist de herhaling maakt het mooi.
Wanneer plant je verwilderingsbollen?
Voorjaarsbloeiende verwilderingsbollen plant je in het najaar, oktober en november zijn meestal ideaal. De grond is dan nog goed te bewerken, maar niet meer warm, zodat de bollen rustig kunnen wortelen voordat de winter begint.
Sneeuwklokjes, krokussen, narcissen, botanische tulpen en andere voorjaarsbloeiers hebben die koude periode nodig om in het voorjaar goed te bloeien. Vandaar dat je ze in het najaar plant, niet in het voorjaar.
Hoe diep plant je ze?
Een goede vuistregel: plant bloembollen ongeveer twee tot drie keer zo diep als de bol hoog is. Kleine bolletjes dus minder diep dan grote narcissen of tulpen.
Zorg vooral voor goed doorlatende grond. De meeste verwilderingsbollen houden niet van natte voeten. In zware kleigrond kun je de bodem verbeteren met compost of wat scherp zand, zodat water beter weg kan. Een beetje vocht in de winter is geen probleem, maar bollen mogen niet langdurig in natte, dichtgeslagen grond staan.
Laat het blad met rust
Dit is misschien wel de belangrijkste tip: knip het blad na de bloei niet meteen weg. Ook al zijn de bloemen uitgebloeid, de bol is dan nog bezig met energie opslaan voor het volgende jaar.
Laat het blad rustig geel worden en vanzelf afsterven. Pas daarna kun je het verwijderen, of in het gazon weer maaien. Wie het blad te vroeg afknipt, krijgt vaak minder bloemen in het volgende voorjaar.
Verwildering vraagt wat geduld
Een tuin met verwilderingsbollen is zelden in één seizoen af. Het mooie zit juist in de opbouw. Het eerste jaar zie je waar de bollen goed aanslaan. Daarna worden sommige groepjes voller, verspreiden kleine bolletjes zich voorzichtig en krijgt de beplanting steeds meer karakter.
Sommige soorten blijven keurig op hun plek, andere zaaien zich licht uit of maken nieuwe bolletjes. De tuin gaat een beetje zijn eigen gang, zonder dat het rommelig hoeft te worden.
Onze favorieten voor een natuurlijke voorjaarstuin
Voor een vroeg begin zijn sneeuwklokjes en krokussen prachtig. Daarna volgen Scilla, Chionodoxa en Puschkinia met zachte blauwe en witte tinten. Anemone blanda geeft een laag tapijt van fijne bloemen, en botanische tulpen zorgen voor kleur zonder zwaar te ogen. Narcissen geven hoogte en zijn heel betrouwbaar voor jarenlang plezier.
Plant ze in het najaar, geef ze een plek waar ze met rust gelaten kunnen worden, en laat het blad na de bloei netjes afsterven. Daarna hoef je vooral te wachten. En dat is misschien wel het mooiste aan verwilderingsbollen: op een koude voorjaarsdag staan ze ineens weer boven de grond, alsof ze nooit weg zijn geweest.


